U bevindt zich op: Loket Gezond Leven›Settings›Gezonde Gemeente›Overgewicht›Cijfers en feiten›Omvang en ernst
Overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas) zijn abnormale of buitensporige opeenhopingen van vet die de gezondheid kunnen beïnvloeden (WHO, 2006h).
Er zijn verschillende methoden om te bepalen of iemand overgewicht heeft. De body mass index (BMI) is gebaseerd op de verhouding tussen lengte en gewicht. De BMI is de meest gebruikte maat om (ernstig) overgewicht te definiëren. Daarnaast geven de buikomtrek en de huidplooidikte ook een goede indicatie voor de hoeveelheid opgeslagen vet.
In 2009/2010 had 60% van de mannen en 44% van de vrouwen overgewicht. Mannen hebben vaker overgewicht dan vrouwen, maar de verschillen worden kleiner naarmate de leeftijd toeneemt. Het percentage ernstig overgewicht (obesitas) is voor mannen (13%) en vrouwen (14%) nagenoeg gelijk. Overgewicht en obesitas nemen toe met de leeftijd. Deze cijfers zijn afkomstig van Nederland de Maat Genomen (NL de Maat). In dit landelijk monitoringsonderzoek is in 2009 en 2010 gewicht, lengte en buikomvang gemeten van 1.806 mannen en 2.059 vrouwen van 30 tot 70 jaar (Blokstra et al., 2011).
Volgens de gemeten gegevens van Nederland de Maat Genomen lag het percentage mannen met overgewicht (inclusief obesitas) hoger (60%) dan dat van de zelfgerapporteerde gegevens (53%). Bij de vrouwen liggen de percentages wat minder ver uit elkaar (Blokstra et al., 2011). Bij zelfrapportage is de kans op onderschatting van lichaamsgewicht groot. Dit fenomeen kan de trend beïnvloeden, omdat de mate van onderschatting groter is naarmate het overgewicht toeneemt. De gemiddelde BMI van een populatie kan wel vaak aardig geschat worden op basis van zelf-gerapporteerde gegevens (Visscher et al., 2006; Scholtens et al., 2006).
Van de jeugd van 2 tot 21 jaar heeft 14% overgewicht, waarvan 2% obesitas. Meisjes hebben vaker overgewicht dan jongens. Deze cijfers zijn afkomstig uit de Vijfde Landelijke Groeistudie van TNO uit 2009, waarin gewicht en lengte gemeten zijn onder ruim 20.000 kinderen en jongeren (Schönbeck et al., 2012).
Bovenstaande informatie komt van het Nationaal Kompas Volksgezondheid.