U bent hier

Risicogroepen voor depressie

Kinderen en jongeren

  • Kinderen en jongeren die in armoede leven of worden blootgesteld aan verwaarlozing, misbruik of geweld – vooral als ze geen vertrouwensrelatie met een ander hebben.
  • Kinderen met teruggetrokken (‘internaliserend’) gedrag.
  • Kinderen van ouders met een depressie, een andere psychische aandoening of een verslaving.
  • Kinderen met overgewicht.
  • Jongeren van allochtone afkomst.

Een harmonieuze gezinssituatie, sociale en cognitieve competenties en humor beschermen jongeren juist tegen een depressie.

Volwassenen (18-65 jaar)

  • Mensen met meerdere depressieklachten zoals een sombere stemming, problemen met slapen, piekeren, zich niet kunnen concentreren, eenzaamheid.
  • Depressie treft twee keer zoveel vrouwen als mannen.
  • Mensen met persoonlijke eigenschappen als geremdheid en geringe zelfwaardering, met kwetsbaarheidsfactoren zoals het gevoel weinig controle te hebben over het eigen leven en een abnormale gevoeligheid en geneigdheid tot piekeren.
  • Mensen met een chronisch lichamelijke ziekte, zoals dementie, diabetes, hart- en vaatziekten, ademhalingsziekten, ziekte van Parkinson, een beroerte of eerdere angststoornissen.
  • Mensen die mentaal belast worden door bijvoorbeeld uitputtende werksituaties
  • Mantelzorgers, vooral als ze mensen met psychische of verslavingsproblemen verzorgen.
  • Volwassenen met weinig sociale steun (met name mannen), zoals alleenstaande en gescheiden mensen.
  • Mensen met een lage SES
  • Jongvolwassenen van Marokkaanse afkomst.
  • Mensen met traumatische jeugdervaringen, zoals emotionele verwaarlozing en psychisch, lichamelijk en/of seksueel geweld.
  • Vluchtelingen en asielzoekers.
  • Volwassenen met ernstig overgewicht.

Sociale steun in de omgeving, een goede lichamelijke gezondheid en zelfwaardering zijn factoren die volwassenen juist beschermen tegen een depressie.

Omvang van depressie verschilt naar inkomen

Mensen met een laag inkomen hebben vaker een depressie dan mensen met een hoog inkomen. Werklozen hebben vaker last van een depressie dan werkende mensen, studenten, huismannen en -vrouwen en gepensioneerden. Deze verschillen gelden zowel voor mannen als voor vrouwen.. Ook verschilt de omvang van depressie en dysthymie tussen laag- en hoogopgeleiden in Nederland: mensen met een lage opleiding hebben een grotere kans om depressief te zijn ([1]) .

Ouderen (65 jaar en ouder)

  • Ouderen met meerdere depressieklachten, zoals een sombere stemming, problemen met slapen, piekeren, zich niet kunnen concentreren.
  • Ouderen met een angststoornis.
  • Weduwen en weduwnaars, vooral kort na het overlijden van de partner.
  • Ouderen met weinig sociale steun (eenzaamheid).
  • Ouderen met lichamelijke ziekten en functionele beperkingen.
  • Ouderen met een lage opleiding of lage SES.
  • Ouderen die het gevoel hebben dat ze weinig controle hebben over hun eigen leven.
  • Vrouwen.

Vooral ouderen die geconfronteerd worden met meerdere risicofactoren hebben een sterk verhoogd risico op depressie. Sociale participatie, lichamelijke gezondheid, gevoel van controle over het eigen leven en sociale steun in de omgeving beschermen ouderen tegen een depressie.

Depressiepreventie: gerichte aanpak voor risicogroepen

Depressie staat al jaren in de top vijf van hoogste ziektelast, hoogste ziektekosten en grootste veroorzakers van arbeidsverzuim. Depressiepreventie is sinds 10 jaar speerpunt in het beleid van het ministerie van VWS. Ondanks de inspanningen in de afgelopen jaren, is de incidentie van depressie niet verminderd. Er is behoefte om in de aanpak van depressiepreventie te focussen op risicogroepen. Vanuit deze focus heeft Trimbos een gerichte aanpak van depressiepreventie in kaart gebracht voor pas bevallen moeders, jongeren, huisartspatiënten, chronisch zieken, mantelzorgers en werknemers.

Geraadpleegde literatuur

[2]

Referenties en bronnen

Referenties

  1. al. 20. Peyrot et al., 2013.
  2. Schoemaker 20. Van den Berg & Schoemaker, 2010.

Ook gevonden

Afdrukken:

Via printer