Voor het opzetten van een effectief depressiebeleid zijn feiten en cijfers nodig. Op basis hiervan kunt u onderbouwd prioriteiten stellen en gericht doelgroepen kiezen voor uw lokaal of regionaal beleid op het gebied van depressie.

Wat is een depressie?

Volgens het classificatie systeem DSM-VDiagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-V) De vijfde editie van de ‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’, een handboek voor de diagnose van psychische aandoeningen heeft iemand een depressieve stoornis als minimaal één van de twee kernsymptomen gedurende minstens twee weken aanwezig is: 1. een neerslachtige stemming gedurende het grootste deel van de dag of bijna elke dag; 2. een duidelijk verlies aan interesse in alle of bijna alle activiteiten gedurende het grootste deel van de dag of bijna elke dag. Daarnaast dienen tegelijkertijd minimaal vijf van onderstaande symptomen bijna dagelijks aanwezig te zijn:

  • eetproblemen (heel weinig of heel veel eten) of verandering in het gewicht;
  • slaapgebrek of te veel slapen;
  • geremd of geagiteerd en rusteloos zijn;
  • vermoeidheid of verlies aan energie;
  • gevoelens van waardeloosheid of overmatige schuldgevoelens;
  • concentratieproblemen, vertraagd denken of besluiteloosheid;
  • terugkerende gedachten aan de dood of aan zelfdoding.

Ook moeten de symptomen lijden of beperkingen veroorzaken in het sociaal of beroepsmatig functioneren. Ongeveer de helft van de mensen herstelt binnen drie maanden terwijl de depressie bij anderen (meerdere malen) terugkeert na een periode van herstel (zogeheten ‘recidiverende’ depressie). Wanneer iemand niet volledig voldoet aan bovenstaande criteria van een depressieve stoornis, maar wel (een aantal) kenmerken er van heeft, spreken we over depressieve klachten of subklinische depressie. 

(bron: GGZ Multidisciplinaire richtlijnen Depressie, geraadpleegd juni 2019)

Omvang en ernst van depressie

Omvang van depressie

18,7% van de Nederlandse bevolking (18-64 jaar) heeft ooit een depressieve stoornis gehad en 5,2% van de volwassenen had in de afgelopen 12 maanden een depressieve stoornis. Depressie komt het meest voor in de leeftijdscategorie 18-24 jaar en bij vrouwen. (De Graaf 2010 ).Er is geen recent landelijk onderzoek naar het voorkomen van depressieve stoornissen onder jongeren tot 18 jaar. Wel zijn landelijke cijfers beschikbaar over emotionele problemen onder scholieren die voorkomen bij 10,9% van de 11-jarigen en geleidelijk oplopen tot 21,8% van de 16 jarigen. (Stevens et al, 2018)Er is geen landelijk onderzoek beschikbaar over depressieve stoornissen onder ouderen (≥ 65 jaar). Uit een regionaal onderzoek blijkt dat 8% van de ouderen (55-85 jaar) een depressieve stoornis had en 75% een subklinische depressie (Beekman e.a., 2002). Volgens een landelijke gezondheidsenquête (CBSCentraal Bureau voor de Statistiek, 2018) gaf 6,3% van de ouderen een depressie te hebben gehad in de laatste twaalf maanden.

Omvang van suïcidaliteit

Onder suïcidaliteit verstaan we geslaagde suïcides en suïcidaal gedrag. De term suïcidaal gedrag betreft alle gedachten, voorbereidingshandelingen en pogingen met een zekere intentie om zichzelf te doden (Meerdinkveldboom e.a., 2012).Landelijke cijfers over suïcidaal gedrag zijn er alleen voor volwassenen (De Graaf 2010). De gemiddelde leeftijd voor eerste suïcidegedachten onder volwassenen is 26,2 jaar en voor een eerste suïcidepoging is 26,3 jaar. Bij 34,9% van de volwassenen die ooit in hun leven een suïcidepoging heeft gedaan, betreft de eerste poging een hulpkreet en is het niet de bedoeling om dood te gaan. Een psychische aandoening verhoogt de kans op suïcidaal gedrag en suïcide. Landelijke cijfers over geslaagde suïcides worden geregistreerd door het CBS (CBS, 2018). Daaruit blijkt dat het aantal suïcides onder jongeren is gestegen van 48 jongeren (10-20 jaar) in 2016 tot 81 jongeren in 2017. Tot 2016 was het aantal suïcides onder jongeren redelijk stabiel. Van de volwassenen zijn in 2017 1.555 overleden door suïcide. Van de ouderen (70+) overleden in 2017 281 door suïcide (Factsheet Gijzen et al, 2019).

Risicogroepen depressie

Per leeftijdscategorie zijn risicogroepen voor depressie te vinden:

  • van het vrouwelijk geslacht
  • uit minder welvarende gezinnen 
  • met een vader zonder betaalde baan 
  • uit onvolledige gezinnen 
  • van ouders met een depressie, een andere psychische aandoening of een verslaving
  • met teruggetrokken gedrag  
  • met overgewicht
  • van allochtone afkomst

(bronnen: TRAILS-studie, HBSC-studie)

  • Vrouwen (De Graaf et al., 2010 > Nemesis 2)
  • Alleenstaanden (idem)
  • Alleenstaande ouders (idem)
  • Werklozen (idem)
  • Arbeidsongeschikten (idem)
  • Lager opgeleiden (idem)

Daarnaast mensen met een:

  • Laag inkomen (De Graaf et al., 2010 > Nemesis 2)
  • Kindertrauma (verwaarlozing of mishandeling in de jeugd) (Nuijen et al., 2018> themarapport depressiepreventie)
  • Ouder met psychopathologie (idem)
  • Stressvolle levensgebeurtenis (o.a. scheiding, overlijden partner) (idem)
  • Kwetsbare persoonlijkheid (idem)
  • Ongezonde leefstijl (roken, drinken, weinig bewegen, ongezond eten) (idem) 
  • Ongunstige werkomstandigheid (beperkte autonomie, hoge taakeisen, baanonzekerheid, beperkte steun van collega’s) (idem)

Sociale steun in de omgeving, een goede lichamelijke gezondheid en zelfwaardering zijn factoren die volwassenen juist beschermen tegen een depressie. (1 / 2)

In zijn algemeenheid spelen bij ouderen vanaf 65 jaar grofweg dezelfde risicofactoren als bij volwassenen. De belangrijkste risicofactoren bij ouderen zijn: (Kok & Oude Voshaar, 2016; Nuijen et al, 2018):

  • Vrouwelijk geslacht
  • Een eerdere depressieve stoornis
  • Rouw
  • Slaapstoornissen
  • Lichamelijke handicaps en ziekten
  • Cognitieve stoornissen en een gebrek aan of verlies van sociale contacten

Vooral ouderen die geconfronteerd worden met meerdere risicofactoren hebben een sterk verhoogd risico op depressie. Sociale participatie, lichamelijke gezondheid, gevoel van controle over het eigen leven en sociale steun in de omgeving beschermen ouderen tegen een depressie.

Meerjarenprogramma depressiepreventie: gerichte aanpak voor risicogroepen

Met het Meerjarenprogramma (MJP) depressiepreventie van het ministerie van VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt gestreefd naar een afname van depressie met 30% in 2030. Daartoe wordt gezamenlijk met landelijke kennis-partners een preventie-aanpak uitgevoerd voor de volgende risico-groepen:

  • jongeren (waaronder jongeren met een ouder met psychische problemen of verslaving)
  • jonge vrouwen (waaronder pas bevallen vrouwen)
  • huisartspatiënten (met signalen van beginnende depressie)
  • chronisch zieken
  • overbelaste mantelzorgers
  • werknemers in stressvolle beroepen

Het is nodig dat meer mensen uit deze hoogrisicogroepen worden bereikt met depressiepreventie. Er wordt gezamenlijk naar gestreefd om preventie zo vroegtijdig mogelijk te laten plaatsvinden en waar dit het meest effectief is voor de betreffende doelgroep. (MJP depressiepreventie, 14 febr 2017)

Oorzaken en gevolgen van depressie

Er bestaat niet één oorzaak voor depressie. Vaak gaat het om een samenspel van factoren. Het Dynamische Stress-Kwetsbaarheidsmodel (DSK-model) onderscheidt de volgende factoren:

  • Persoonsgebonden factoren: risicofactoren waaronder vrouwelijk geslacht, kind van ouders met een psychische aandoening, een chronische ziekte.
  • Omgevingsfactoren: risicofactoren waaronder armoede en weinig sociale steun. Depressie komt minder vaak voor in groenere en stillere woonomgevingen.
  • Levensgebeurtenissen: risicofactoren waaronder traumatische jeugdervaringen, het krijgen van een chronische ziekte of beperking en het ontvluchten van het moederland.

Met de ernst van de depressie neemt de kwaliteit van leven af en nemen de economische kosten toe. Een depressie kan in alle leeftijdsgroepen leiden tot een verminderd sociaal, emotioneel en lichamelijk functioneren:

  • Depressie verhoogt het sterfterisico met een factor 1,65 hetgeen hoger is dan van bijvoorbeeld verhoogd cholesterol.
  • Depressie op jonge leeftijd is van negatieve invloed op de schoolprestaties en bemoeilijkt het doorlopen van de reguliere ontwikkelingstaken van een jongere.
  • Depressie op jonge leeftijd is een voorspeller van een depressie op latere leeftijd. Dit belemmert de maatschappelijke participatie en positie die iemand zich kan verwerven.
  • Bij volwassenen heeft een depressie gevolgen voor het arbeidsproces, zoals verminderd functioneren, ziekteverzuim, verlies van werk en arbeidsongeschiktheid.
  • De gevolgen zijn ingrijpend voor zowel de persoon in kwestie, als voor de omgeving.

Zie ook de pagina wat bereikt u met de inzet op depressiepreventie

Samenhang met andere thema's

Depressie gaat vaak samen met andere gezondheidsproblemen en leefstijlfactoren. Voorbeelden zijn: angststoornis, overmatig alcohol- of drugsgebruik, lichamelijke aandoeningen, overwicht en diabetes, onvoldoende beweging, roken en eenzaamheid. Lees meer

Preventie

Een (ernstige) depressie kan voorkomen worden door vroegtijdig in te grijpen, of worden behandeld. Lees meer

Probleemanalyse

Een goede probleemanalyse bevordert goede aansluiting op de werkelijke lokale problemen. Daarvoor kunt u gebruikmaken van verschillende indicatoren in de Lokale en Nationale Monitor Gezondheid. Risico voor depressie, angststoornissen en eenzaamheid zijn meestal onderdeel van een regionale Volksgezondheid Toekomstverkenning (rVTVregionale Volksgezondheid Toekomst Verkenning (rVTV) ). Lees meer

Referenties

  1. Graaf R de et al. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking 2010
  2. NEMESIS-2: Opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut,2010
  3. Stevens G. et al, Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht, 2018
  4. Meerdinkveldboom, J et al, Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag. Utrecht: De Tijdstroom 2012
  5. Seligman M., Steen T., Park N., Peterson C. Positive psychology progress: empirical validation of interventions. The American psychologist, 60(5), 410-421 2005.
  6. Keyes C. Promoting and protecting mental health as flourishing: a complementary strategy for improving national mental health. The American Psychologist, 62(2), 95-108 2007.
  7. Lyubomirsky S., King L., Diener E. The benefits of frequent positive affect: Does happiness lead to success?. Psychological Bulletin, 131, 803-855 2005.
  8. Slobbe L., Smit J., Groen J., Poos M., Kommer G. Kosten van ziekten in Nederland 2007. Trends in de Nederlandse zorguitgaven 1999- 2010. RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu 2007.
  9. Jongsma K. Achtergrondstudie uitgebracht door de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg bij het advies Preventie van welvaartsziekten. RVZRaad voor de volksgezondheid & zorg 2011.
  10. Andersen M., Nielsen K., Brinkmann S. Meta-synthesis of qualitative research on return to work among employees with common mental disorders. Scandinavian Journal of Work and Environmental Health, 38(2), 93-104 2012.
  11. Paul K., Moser K. Unemployment impairs mental health: Meta-analyses. Journal of vocational behavior, 74 (3) 2009.
  12. Ybema J., Evers M. Profiel Arbeid en Gezondheid. TNONederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek Arbeid 262-282 2005.
  13. TNO. De kosten van ziekteverzuim voor werkgevers in Nederland. 2012.
  14. Glied S. Consequences and correlates of adolescent depression. Arch Pediatr Adolesc Med 2002; 156(10): 1009-1014 2002.
  15. Lagerveld S., Blonk R., Brenninkmeijer V., Wijngaards M., Schaufeli W. Work-Focused Treatment of Common Mental Disorders and Return to Work: A Comparative Outcome Study. Journal of occupational health psychology 17 (2), 2012, pp. 220-234 2012.
  16. Kerkhof A., Mulder S., Draisma J. Suïcidepogingen behandeld in Nederlandse ziekenhuizen. Nederlands Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, 85, 37-42 2007.
  17. M. Have T, De Graaf R., Van Dorsselaer S. Suïcidaliteit in de algemene bevolking: gedachten en pogingen. Resultaten van de ‘Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study’ (NEMESIS). Trimbos-instituut 2006.
  18. Van Hasselt N., Van Laar M., Onrust S., Verdurmen J. Preventie van schadelijk alcoholgebruik en drugsgebruik onder jongeren. Trimbos-instituut 2010.