U bent hier

Omvang seksuele ongezondheid

Seksuele grensoverschrijding

Seksuele grensoverschrijding is een paraplubegrip. Het gaat over een heel scala van grensoverschrijdend gedrag of toenaderingen die seksueel van aard zijn. Dit kan fysiek en niet-fysiek van aard zijn. Voorbeelden van niet-fysiek grensoverschrijdend gedrag zijn het maken van kwetsende seksueel getinte opmerkingen, geslachtsdelen of seksuele handelingen (bijvoorbeeld masturberen) laten zien of ongevraagd online publiceren of verspreiden van seksueel getinte beelden.

Bij fysieke grensoverschrijding gaat het over het zonder toestemming, tegen je wil of onder dwang ondergaan of uitvoeren van seksuele handelingen variërend van aanrakingen, vingeren, aftrekken, geslachtsgemeenschap, anale of orale seks. Bij dwang gaat het om alle situaties waarin het slachtoffer niet kan weigeren of zich niet aan de situatie kan onttrekken of situaties waarin geen sprake is van wederzijdse instemming of vrijwilligheid.

  • 14% Van de meisjes en 3% van de jongens in de leeftijd van 12-25 jaar heeft ervaring met seksuele dwang of overhalen bij de eerste geslachtsgemeenschap. Van de meisjes bij wie de eerste keer seks op 14 of 15 jarige leeftijd plaatsvond, heeft één op de vijf meisjes ervaring met overhalen of dwang. 11% van de meisjes en 2% van de jongens is ooit gedwongen tot seksuele handelingen. 1: 3 jongens en 1:4 meisjes heeft hier niet met anderen over gesproken. 8% van de jongens en 9% van de meisjes heeft hierover aangifte gedaan bij de politie [1]
  • Van de 15- tot 70-jarigen heeft 40% van de vrouwen ooit een vorm van fysieke seksuele grensoverschrijding meegemaakt en 53% niet-fysieke grensoverschrijding. Voor mannen is dit respectievelijk 13% en 29%. 14% van de vrouwen en 2% van de mannen heeft geslachtsgemeenschap tegen de wil meegemaakt[2].
  • Homo’s, biseksuele mannen en vrouwen en transgenders maken vaker seksuele grensoverschrijding mee dan heteroseksuele mannen en vrouwen en niet-transgenders. Ook worden ze vaker onder druk gezet.

Ongeveer drie op de tien mannen en de helft van de vrouwen hebben ooit in hun leven een of meerdere vormen van niet-fysieke grensoverschrijding meegemaakt. Bijna alle vormen komen significant vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

Van de mannen tussen de 15 en 25 jaar die minstens één vorm van niet- fysiek seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben meegemaakt heeft 11% hier aangifte van gedaan. Bij vrouwen in deze leeftijdscategorie was dit 7%. Bij mannen en vrouwen tussen de 25 en 71 jaar was dit respectievelijk 9% en 13 %. Het gaat dan vooral om het op een seksuele manier staren, seksuele of ‘vieze’ dingen zeggen via internet, seksuele bewegingen maken en het tegen de zin laten zien van borsten, billen of geslachtsdelen.

Jongeren en internet

Vooral bij jongeren tussen de 15 en 25 jaar komt niet-fysieke seksuele grensoverschrijding via het internet voor. Bij ongeveer de helft van de jongens en ongeveer twee derde van de meisjes die meemaakten dat iemand aan hen geslachtsdelen liet zien gebeurde dat via internet. Van de jongeren die hadden meegemaakt dat iemand aan hen liet zien dat hij of zij masturbeerde, geeft circa twee derde van de jongens en drie kwart van de meiden aan dat dit gebeurde via internet. Homo en biseksuele jongens hebben vaker seksuele contacten op of via internet. Dit gebeurt door bijvoorbeeld zelf iets seksueels te laten zien voor de webcam, seksueel getinte foto’s of filmpjes versturen of seks te hebben met een partner die ze via internet hebben ontmoet.

Sexting

12% heeft in de afgelopen 6 maanden een naaktfoto of seksfilmpje van zichzelf aan iemand verstuurd. 5% van de jongeren maakte mee dat een naaktfoto of seksfilmpje van hem of haar werd getoond aan of gedeeld met anderen. Het zien van beelden van anderen komt echter vaker voor. Zo heeft 29% van de jongens en 19% van de meisjes in de afgelopen 6 maanden een naaktfoto of seksfilmpje van een bekende gezien. Ook heeft 1 op de 4 jongens en 1 op de 5 meisjes in de afgelopen 6 maanden meegemaakt dat iemand een naaktfoto of seksfilmpje van zichzelf aan hen stuurde (De Graaf et al, 2017)

Homo- en biseksuelen

Homo- en biseksuele mannen en biseksuele vrouwen maken relatief vaker dan hetero’s niet- fysieke grensoverschrijding mee. Ongeveer 50% van de homo en biseksuele mannen en 70% van de biseksuele vrouwen geeft dit aan. Transgenders (zowel man bij geboorte en vrouw bij geboorte) maken vaker niet-fysieke vormen van grensoverschrijding mee dan niet-transgenders.

38% van de vrouwen en 11% van de mannen van 12 tot 25 jaar heeft ervaring met ongewenste seksuele aanrakingen. Voor de leeftijdscategorie 25 – 71 jaar ligt dit op bijna één op de twee vrouwen (42%) en één op de acht mannen (13%). Bijna alle vormen komen significant vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

Jongeren

  • Naarmate jongeren ouder zijn hebben ze vaker ooit grensoverschrijding meegemaakt. Dat geldt vooral voor meisjes: 4% van de jongens en 22% van de meisjes van de 21 tot en met 24 jaar heeft ooit seksuele grensoverschrijding meegemaakt.
  • Een derde van de jongeren die grensoverschrijding heeft meegemaakt, geeft aan dat zij en/of de ander alcohol of drugs hebben gebruikt (niet in Tabel). Meisjes (36%) gaven dit vaker aan dan jongens (21%). (bron: rutgers.nl)      

Volwassenen

  • Ruim 7 % van de vrouwen van 15 t/m 24 jaar en 15 % van de vrouwen van 25 – 70 jaar heeft tegen haar wil vaginale geslachtsgemeenschap gehad en respectievelijk 2% en bijna 5 % tegen haar wil anale seks. In beide leeftijdscategorieën geeft ongeveer 2 % van de mannen aan tegen zijn wil vaginale of anale seks te hebben meegemaakt.
  • Homo en biseksuele mannen, lesbische en biseksuele vrouwen maken relatief vaker dan hetero’s fysieke grensoverschrijding mee. 18% van de homo’s, 23% van de biseksuele mannen, 42% van de lesbische vrouwen en 56% van de biseksuele vrouwen geeft dit aan. Transgenders (zowel man bij geboorte en vrouw bij geboorte) maken vaker fysieke vormen van grensoverschrijding mee dan niet-transgenders. (bron: rutgers.nl)

Voorbeeld: Seksuele grensoverschrijding

Voor 2006 stond het onderwerp seksuele gezondheid niet expliciet in de stadsdeelnota's. Naar aanleiding van cijfers en signalen rondom grensoverschrijding en ruilseks vonden bijeenkomsten plaats in de wijk met ouders en jeugdwerkers. Vanaf dat moment staat het thema seksuele gezondheid en in het bijzonder seksuele grensoverschrijding op de agenda van het stadsdeel. In het bestuursakkoord 2010-2014 ‘Werken aan evenwicht’ komt omgaan met seksualiteit aan de orde met de nadruk op de preventie van tienerzwangerschap en seksueel geweld en het bespreekbaar maken van homoseksualiteit. Het beleid richt zich vooral op educatie, advies en preventie. Verder is er het voornemen dat het Centrum voor Jeugd en Gezin en het Fiom intensief gaan samenwerken ten behoeve van een laagdrempelige inloop van tienermeiden met vragen over seksualiteit en begeleiding rondom tienerzwangerschap. In 3 van de 6 gezondheidscentra is een spreekuur en een Love coach voor alle vragen rondom seksualiteit. - Gemeente Amsterdam, Stadsdeel Zuidoost

Omvang ongeplande (tiener)zwangerschap

Eén op de 5 vrouwen die ooit geslachtsgemeenschap hadden is ooit onbedoeld zwanger geweest. 68% is hiervan ongewenst. In 2014 werden 6.752 meiden tussen de 15 - 20 jaar zwanger, dat is 13,8 van de 1.000 meiden. 9,0 per 1.000 meiden kozen voor abortus en 4,8 per 1.000 kregen een kind. In 2012 daalde dit cijfer naar 4,5 per duizend. Rond 1970 was het tienergeboortecijfer bijna vijf keer zo hoog[1].

Tienermoeders

In 2016 kregen 1492 vrouwen onder de 20 jaar een kind. Het aantal tienermoeders onder Nederlandse en niet-Nederlandse meisjes daalt en is sinds 2001 nog nooit zo laag geweest. Het geboortecijfers onder tieners is in 2016 3. Bij een aantal niet-westerse groepen is het geboortecijfer echter relatief hoog. Bij Syrische meisjes was het geboortecijfer 40 en bij Somalische meisjes 19. Surinaamse en Antilliaanse tieners worden ook nog relatief vaak moeder. In 2016 waren er bijna 14 geboorten per duizend Antilliaanse tienermeisjes en 7 bij Surinaamse meisjes onder de 20 jaar. De meeste tienermoeders wonen in Noord-Holland en Flevoland (cbs.nl, 2017).

Sinds 2007 is een daling van het aantal abortussen zichtbaar. In 2015 zijn 30.803 abortussen uitgevoerd. 3882 van deze abortussen is uitgevoerd bij vrouwen die in het buitenland wonen. 10% van de zwangerschapsafbrekingen betreft tieners onder de 20 jaar en 24% zijn 20- tot 25-jarigen. Het abortuscijfer, het aantal abortussen per 1000 in Nederland wonende vrouwen in de leeftijdsgroep 15-44 jaar, is 6. Een derde van de vrouwen heeft al eerder een zwangerschap laten afbreken[1].

In 2016 zijn er 3.079 zwangerschappen afgebroken onder tieners. 83 van hen waren jonger dan 15 jaar. In 2016 was het tiener-abortuscijfer 9,0 (aantal abortussen per 1000 in Nederland wonende vrouwen jonger dan 20 jaar). De meest tieners die zwanger worden, zijn 18 of 19 jaar. 20% is 17 jaar of jonger. Bijna twee derde van de zwangere meiden kiest voor een abortus. Naarmate meiden ouder worden kiezen ze vaker voor het moederschap.

Abortuscijfers hoger vrouwen niet westerse afkomst

In 2016 was 50% van de abortuscliënten van Nederlandse afkomst. Het abortuscijfer is het hoogst onder 25 tot 29-jarigen. De meest voorkomende leeftijd waarop vrouwen een zwangerschap laten afbreken is 24 jaar.

Abortuscliënten van Nederlandse afkomst van 15 t/m 19 jaar hebben een relatief laag abortuscijfer. Nederlandse meiden met een Surinaamse en Antilliaanse herkomst in dezelfde leeftijdsgroep hebben de hoogste abortuscijfers.

De abortuscijfers onder vrouwen met een niet westerse achtergrond zijn hoger dan onder Nederlandse vrouwen. De verschillen tussen herkomstgroepen zijn groot. Zo is het geschatte abortuscijfer per 1.000 vrouwen bij Nederlandse vrouwen 6,2, bij Nederlandse vrouwen met Antilliaanse afkomst 31,6, bij Surinaamse vrouwen 26,9, bij Afrikaanse vrouwen 23, bij Midden en zuid Amerikaanse vrouwen 15,8 en bij Marokkaanse en Turkse vrouwen respectievelijk 16 en 9.

In vergelijking met voorgaande jaren is het abortuscijfer onder deze groepen verder gedaald. Bij nagenoeg alle niet-westerse herkomstgroepen heeft een groot aandeel van de vrouwen eerdere ervaring met abortus. Onder Surinaamse vrouwen is dit het hoogst: 55,6%, gevolgd door Antilliaanse vrouwen (55,4%) en bij Nederlandse vrouwen (31,7%).

Abortus ondanks anticonceptie

In 2015 gebruikte tweederde van de abortuscliënten een half jaar voorafgaand aan de abortus, een anticonceptiemethode. Een derde van de abortuscliënten van 15 t/m 44 jaar is zwanger geworden terwijl ze naar eigen zeggen, de pil of condooms gebruikten. Bijna een op de vier vrouwen heeft geen condoom gebruikt in het half jaar voorafgaand aan de abortus. 7.2 % gebruikte het condoom verkeerd. Van de tieners van 15 t/m 20 jaar heeft meer dan twee derde (68,8 %) in het halfjaar voorafgaand aan hun abortus een vorm van anticonceptie gebruikt.

Omvang Soa, Hiv en Aids

Voor het tweede jaar op een rij daalt het aantal soa-consulten bij de huisarts. Het aantal soa-consulten bij de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid is, na een daling in 2015, in 2016 weer gestegen. Het aanbod van zelftesten neemt toe, maar blijkt niet altijd betrouwbaar.

  • De meeste soa-consulten vinden plaats bij de huisarts. In 2015 vonden daar naar schatting 266.000 soa-consulten plaats; een lichte daling ten opzichte van 2014. Voor sommigen blijken de kosten voor diagnostiek, die ten laste komen van het eigen risico, een reden om af te zien van een soa-test bij de huisarts
  • In aanvulling op de huisarts kunnen hoog-risico groepen ook terecht bij de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid (soa polikliniek). In 2016 zijn daar ruim 143.139 soa-consulten uitgevoerd; een toename van 5 procent ten opzicht van 2015. De toename in soa consulten was het hoogst onder MSM. Door instelling in 2015 van financieel plafond aan de regeling die soa-testen bij de GGD mogelijk maakt, vindt er wel een strengere selectie plaats en meer verwijzingen naar de huisarts 
  • Het (online) aanbod van zelftesten voor soa’s neemt in Nederland toe. Websites bieden thuistesten aan (zelf afname en zelf aflezen) en laboratoriumtesten (zelfafname toegestuurd aan lab voor diagnose). Het  ">RIVM schat in 2016 dat tussen de 40.000 en 60.000 zelftesten voor soa’s worden gebruikt. Een evaluatie (bron) van 20 aanbieders laat zien dat maar een beperkt deel van het aanbod betrouwbaar is. 

Laagdrempelig en kwalitatief goed aanbod van soa-testen en screening is belangrijk, omdat het opsporen van soa in een vroeg stadium verdere transmissie kan voorkomen en de kans op symptomen en ernstige complicaties vermindert door tijdige behandeling.

Op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid nam het aantal personen met een positieve soa-test toe van 17,2% in 2015 naar 18,4% in 2016. Deze stijging is het sterkst onder heteroseksuele mannen en vrouwen. Het aantal gevonden infecties met chlamydia, gonorroe en syfilis nam toe. De meeste soa’s worden gevonden bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) met hiv, personen die gewaarschuwd werden voor een soa, laagopgeleiden en personen met klachten.

  • Chlamydia: in 2015 zijn bij de huisarts naar schatting 35.000  chlamydia infecties gevonden. In 2016 zijn op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid 20.698 chlamydia infecties gevonden. Het aantal positieve testen steeg daar van 13,7% in 2015 naar 14,5%.  De meeste chlamydia infecties worden gevonden bij: jongeren onder de 25 jaar, mensen afkomstig uit Suriname en de Antillen, vrouwen afkomstig uit Turkije, mensen met klachten of die eerder een soa hebben gehad en bij mensen met een lage opleiding.
  • LGV: In 2004 vond onder MSM in Nederland voor het eerst een uitbraak plaats van LGV; een agressieve variant van chlamydia. Het aantal LGV diagnoses op de GGD nam toe van 179 in 2015 naar 242 in 2016. LGV werd het meest gevonden bij hiv-positieve MSM. Opvallend is een grote stijging van het aantal LGV diagnoses onder hiv-negatieve MSM; van 65 in 2015 naar 109 in 2016.
  • Gonorroe: In 2015 zijn bij de huisarts naar schatting 7.500 gonorroe infecties gevonden. In 2016 zijn op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid 6.092 gonorroe infecties gevonden. Dit is een toename van 13% ten opzichte van 2015. De meeste infecties werden op de GGD gevonden bij hiv-positieve MSM, MSM die eerder een soa hebben gehad of die klachten hadden en mensen die eerder voor gonorroe zijn gewaarschuwd.
  • Syfilis:  In 2016 zijn op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid  1.223 gevallen van syfilis gevonden. Dit is een toename van 30% ten opzichte van 2015. De toename wordt voornamelijk gevonden onder hiv-positieve- en hiv-negatieve MSM.
  • Hepatitis: Het aantal meldingen van  acute hepatitis B was in 2016 nagenoeg gelijk aan dat in 2015 (109 in 2016 versus 105 in 2016). Op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid werden in 2016 109 hepatitis B infecties gevonden. De meeste onder eerste generatie niet westerse migranten. Eind 2015 hebben meer dan 21.263 sekswerkers en 54.372 MSM  deelgenomen het hepatitis B vaccinatieprogramma gericht op risicogroepen. Het aantal hepatitis C meldingen daalde in 2016 met 34% ten opzichte van 2015, van 67 naar 44. Op de Centra voor Seksuele Gezondheid zijn 7 hepatitis C infecties gevonden, allen bij MSM.

In 2016 zijn rond de 820 nieuwe hiv-diagnoses gesteld; dit is een lichte daling in vergelijking met het voorgaande jaar. De afgelopen jaren blijft het aantal nieuwe hiv-diagnoses in Nederland hangen rond de 900 per jaar. In 2016 werd 67% van de nieuwe hiv-diagnoses gevonden bij MSM, 25% was opgelopen door heteroseksueel contact.

  • Aan het eind van 2016 leven er naar schatting 22.900 mensen met hiv in Nederland. Daarvan zijn 20.0264 bekend met hun hiv-infectie en gelinkt aan zorg. Dat betekent dat zo’n 2.600 mensen met hiv niet op de hoogte zijn van de eigen status. Dit is belangrijk omdat onderzoek heeft aangetoond dat de meeste hiv-transmissies plaatsvinden in de fase waarin de infectie nog niet bekend is.
  • Het percentage mensen met een nieuwe hiv-diagnose dat te laat in zorg komt is 44%, waarvan 26% met een vergevorderde hiv-infectie of ziekten die horen bij 
    ">aids. Dit is zorgelijk omdat we inmiddels uit onderzoek weten dat te laat beginnen met hiv-behandeling de levensverwachting van mensen met hiv verlaagt en kan leiden tot een hogere ziektelast en slechtere kwaliteit van leven. In 2016 overleden 30 mensen aan aids; in de meeste gevallen het gevolg van te laat ontdekken van de hiv-infectie.

In 2016 is er bij 17.580  mensen met hiv sprake van een succesvolle hiv-behandeling, die zorgt voor een ondetecteerbare viral load. Dit is niet alleen belangrijk uit oogpunt van de individuele gezondheid. Onderzoek heeft aangetoond dat bij een ondetecteerbare viral load verdere transmissie van hiv niet meer mogelijk is.

Referenties

  1. de Graaf H. Seks onder je 25e. Soa Aids Nederland en Rutgers 2017.
  2. Seksuele gezondheid in Nederland, Rutgers WPF.

Ook gevonden

Afdrukken:

Via printer