U bent hier

Omvang seksuele ongezondheid

Seksuele grensoverschrijding

Seksuele grensoverschrijding is een paraplubegrip. Het gaat over een heel scala van grensoverschrijdend gedrag of toenaderingen die seksueel van aard zijn. Dit kan fysiek en niet-fysiek van aard zijn. Voorbeelden van niet-fysiek grensoverschrijdend gedrag zijn het maken van kwetsende seksueel getinte opmerkingen, geslachtsdelen of seksuele handelingen (bijvoorbeeld masturberen) laten zien of ongevraagd online publiceren of verspreiden van seksueel getinte beelden.

Bij fysieke grensoverschrijding gaat het over het zonder toestemming, tegen je wil of onder dwang ondergaan of uitvoeren van seksuele handelingen variërend van aanrakingen, vingeren, aftrekken, geslachtsgemeenschap, anale of orale seks. Bij dwang gaat het om alle situaties waarin het slachtoffer niet kan weigeren of zich niet aan de situatie kan onttrekken of situaties waarin geen sprake is van wederzijdse instemming of vrijwilligheid.

Ervaringen seksuele grensoverschrijding

  • 17% Van de meisjes en 5% van de jongens in de leeftijd van 12-25 jaar heeft ooit ervaring gehad met seksuele dwang of overhalen bij de eerste geslachtsgemeenschap. Van de meisjes bij wie de eerste keer seks op 14 of 15 jarige leeftijd plaatsvond, heeft één op de vijf meisjes ervaring met overhalen of dwang[1].
  • Van de 15- tot 70-jarigen heeft 40% van de vrouwen ooit een vorm van fysieke seksuele grensoverschrijding meegemaakt en 53% niet-fysieke grensoverschrijding. Voor mannen is dit respectievelijk 13% en 29%. 14% van de vrouwen en 2% van de mannen heeft geslachtsgemeenschap tegen de wil meegemaakt[2].
  • Homo’s, biseksuele mannen en vrouwen en transgenders maken vaker seksuele grensoverschrijding mee dan heteroseksuele mannen en vrouwen en niet-transgenders. Ook worden ze vaker onder druk gezet.

Omvang niet fysieke seksuele grensoverschrijding

Ongeveer drie op de tien mannen en de helft van de vrouwen hebben ooit in hun leven een of meerdere vormen van niet-fysieke grensoverschrijding meegemaakt. Bijna alle vormen komen significant vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

Van de mannen tussen de 15 en 25 jaar die minstens één vorm van niet- fysiek seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben meegemaakt heeft 11% hier aangifte van gedaan. Bij vrouwen in deze leeftijdscategorie was dit 7%. Bij mannen en vrouwen tussen de 25 en 71 jaar was dit respectievelijk 9% en 13 %. Het gaat dan vooral om het op een seksuele manier staren, seksuele of ‘vieze’ dingen zeggen via internet, seksuele bewegingen maken en het tegen de zin laten zien van borsten, billen of geslachtsdelen.

Jongeren en internet

Vooral bij jongeren tussen de 15 en 25 jaar komt niet-fysieke seksuele grensoverschrijding via het internet voor. Bij ongeveer de helft van de jongens en ongeveer twee derde van de meisjes die meemaakten dat iemand aan hen geslachtsdelen liet zien gebeurde dat via internet. Van de jongeren die hadden meegemaakt dat iemand aan hen liet zien dat hij of zij masturbeerde, geeft circa twee derde van de jongens en drie kwart van de meiden aan dat dit gebeurde via internet. Homo en biseksuele jongens hebben vaker seksuele contacten op of via internet. Dit gebeurt door bijvoorbeeld zelf iets seksueels te laten zien voor de webcam, seksueel getinte foto’s of filmpjes versturen of seks te hebben met een partner die ze via internet hebben ontmoet.

Sexting en grooming

5 % tot 7% van de jongens heeft wel eens filmpjes of seksueel getinte foto’s van zichzelf of van iemand anders verspreid tegenover 2% van de meisjes (sexting). Ongeveer 1% van alle jongeren heeft wel eens online een seksueel getinte vraag of verzoek gehad van iemand die veel ouder was (grooming).

Homo en biseksuelen

Homo en biseksuele mannen en biseksuele vrouwen maken relatief vaker dan hetero’s niet- fysieke grensoverschrijding mee. Ongeveer 50% van de homo en biseksuele mannen en 70% van de biseksuele vrouwen geeft dit aan. Transgenders (zowel man bij geboorte en vrouw bij geboorte) maken vaker niet-fysieke vormen van grensoverschrijding mee dan niet-transgenders.

Omvang fysieke seksuele grensoverschrijding

Eén op de drie vrouwen en één op de tien mannen van 15 tot 25 jaar heeft ooit een vorm van fysieke seksuele grensoverschrijding meegemaakt. Voor de leeftijdscategorie 25 – 71 jaar ligt dit op bijna één op de twee vrouwen (42%) en één op de acht mannen (13%). Bijna alle vormen komen significant vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

Jongeren

  • Jongeren tussen de 14 en 18 jaar lopen een relatief groot risico op het meemaken van fysieke grensoverschrijding. Een substantieel deel van de ervaringen van fysieke vormen van seksuele grensoverschrijding vond plaats tussen het 19de en 29ste jaar. Daarna neemt het aantal ervaringen met vormen van fysieke grensoverschrijding af.
  • Meer dan 16 % van de meiden van 15-24 geeft aan voor haar 16e jaar een vorm van fysieke seksuele grensoverschrijding te hebben meegemaakt. Onder mannen geldt dit voor bijna 4 %. (bron: rutgers.nl)      

Volwassenen

  • Ruim 7 % van de vrouwen van 15 t/m 24 jaar en 15 % van de vrouwen van 25 – 70 jaar heeft tegen haar wil vaginale geslachtsgemeenschap gehad en respectievelijk 2% en bijna 5 % tegen haar wil anale seks. In beide leeftijdscategorieën geeft ongeveer 2 % van de mannen aan tegen zijn wil vaginale of anale seks te hebben meegemaakt.
  • Van de mannen tussen de 15 en 25 jaar die minstens een vorm van fysiek seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft meegemaakt had 17% hier aangifte van gedaan. Bij vrouwen in deze leeftijdscategorie was dit 12 %. Bij mannen en vrouwen tussen de 25 en 71 jaar was dit respectievelijk 13 % en 19 %.
  • Homo en biseksuele mannen, lesbische en biseksuele vrouwen maken relatief vaker dan hetero’s fysieke grensoverschrijding mee. 18% van de homo’s, 23% van de biseksuele mannen, 42% van de lesbische vrouwen en 56% van de biseksuele vrouwen geeft dit aan. Transgenders (zowel man bij geboorte en vrouw bij geboorte) maken vaker fysieke vormen van grensoverschrijding mee dan niet-transgenders. (bron: rutgers.nl)

Voorbeeld: Seksuele grensoverschrijding

Voor 2006 stond het onderwerp seksuele gezondheid niet expliciet in de stadsdeelnota's. Naar aanleiding van cijfers en signalen rondom grensoverschrijding en ruilseks vonden bijeenkomsten plaats in de wijk met ouders en jeugdwerkers. Vanaf dat moment staat het thema seksuele gezondheid en in het bijzonder seksuele grensoverschrijding op de agenda van het stadsdeel. In het bestuursakkoord 2010-2014 ‘Werken aan evenwicht’ komt omgaan met seksualiteit aan de orde met de nadruk op de preventie van tienerzwangerschap en seksueel geweld en het bespreekbaar maken van homoseksualiteit. Het beleid richt zich vooral op educatie, advies en preventie. Verder is er het voornemen dat het Centrum voor Jeugd en Gezin en het Fiom intensief gaan samenwerken ten behoeve van een laagdrempelige inloop van tienermeiden met vragen over seksualiteit en begeleiding rondom tienerzwangerschap. In 3 van de 6 gezondheidscentra is een spreekuur en een Love coach voor alle vragen rondom seksualiteit. - Gemeente Amsterdam, Stadsdeel Zuidoost

Omvang ongeplande (tiener)zwangerschap

Ongewenst zwanger

Eén op de 5 vrouwen die ooit geslachtsgemeenschap hadden is ooit onbedoeld zwanger geweest. 68% is hiervan ongewenst. In 2014 werden 6.752 meiden tussen de 15 - 20 jaar zwanger, dat is 13,8 van de 1.000 meiden. 9,0 per 1.000 meiden kozen voor abortus en 4,8 per 1.000 kregen een kind. In 2012 daalde dit cijfer naar 4,5 per duizend. Rond 1970 was het tienergeboortecijfer bijna vijf keer zo hoog[1].

Tienermoeders

In 2013 kregen 1901 vrouwen onder de 20 jaar een kind. Het aantal tienermoeders onder autochtone en allochtone meisjes daalt en sinds 2001 nog nooit zo laag geweest. Het geboortecijfers onder tieners is 3,9. Surinaamse en Antilliaanse tieners worden echter nog wel relatief vaak moeder. In 2013 waren er bijna 21 geboorten per duizend Antilliaanse tienermeisjes en 11 bij Surinaamse meisjes. De meeste tienermoeders wonen in Noord-Holland en Flevoland (cbs.nl)(externe link).

Daling aantal abortussen

Sinds 2007 is een daling van het aantal abortussen zichtbaar. In 2014 zijn 30.361 abortussen uitgevoerd. 12% van de abortussen is uitgevoerd bij vrouwen die in het buitenland wonen. 10,5% van de zwangerschapsafbrekingen betreft tieners onder de 20 jaar en 25% zijn 20- tot 25-jarigen. Het abortuscijfer, het aantal abortussen per 1000 in Nederland wonende vrouwen in de leeftijdsgroep 15-44 jaar, is 8. Een kwart van de vrouwen heeft al eerder een zwangerschap laten afbreken[1].

In 2014 zijn er 3.181 zwangerschappen afgebroken onder tieners. 96 van hen was jonger dan 15 jaar. In 2014 was het tiener-abortuscijfer 9,0 (aantal abortussen per 1000 in Nederland wonende vrouwen jonger dan 20 jaar). De meest tieners die zwanger worden, zijn 18 of 19 jaar. 20% is 17 jaar of jonger. Bijna twee derde van de zwangere meiden kiest voor een abortus. Naarmate meiden ouder worden kiezen ze vaker voor het moederschap.

Abortuscijfers hoger vrouwen niet westerse afkomst

In 2011 was 36,4% van de abortuscliënten van autochtoon Nederlandse afkomst. Het abortuscijfer is het hoogst onder 20 tot 29-jarigen. De meest voorkomende leeftijd waarop vrouwen een zwangerschap laten afbreken is 22 jaar.

Abortuscliënten van autochtoon Nederlandse afkomst van 15 t/m 19 jaar hebben een relatief laag abortuscijfer. Meiden met een Surinaamse en Antilliaanse herkomst in dezelfde leeftijdsgroep hebben de hoogste abortuscijfers.

De abortuscijfers onder vrouwen met een niet westerse achtergrond zijn hoger dan onder autochtoon Nederlandse vrouwen. De verschillen tussen herkomstgroepen zijn groot. Zo is het geschatte abortuscijfer per 1.000 vrouwen bij Nederlandse vrouwen 5,4, bij Antilliaanse vrouwen 40,4, bij Surinaamse vrouwen 32,6, bij Afrikaanse vrouwen 30,9 , bij Midden en zuid Amerikaanse vrouwen 20,4 en bij Marokkaanse en Turkse vrouwen respectievelijk 19,3 en 10, 6.

Bij nagenoeg alle niet-westerse herkomstgroepen heeft een groot aandeel van de vrouwen eerdere ervaring met abortus. Onder Surinaamse vrouwen is dit het hoogst: 55, 2 %, gevolgd door Antilliaanse vrouwen (51,2%).

Abortus ondanks anticonceptie

In 2010 gebruikte een aanzienlijk deel van de abortuscliënten een half jaar voorafgaand aan de abortus, een anticonceptiemethode. Meer dan een derde van de abortuscliënten van 15 t/m 44 jaar is zwanger geworden terwijl ze naar eigen zeggen, de pil (34%) of condooms (24,9%) gebruikten. Bijna een derde (31,7%) gebruikte geen enkele vorm van anticonceptie. Van de tieners van 15 t/m 20 jaar heeft meer dan twee derde (68,8 %) in het halfjaar voorafgaand aan hun abortus een vorm van anticonceptie gebruikt.

Omvang Soa, Hiv en Aids

Aantal soa-consulten gedaald

Voor het eerst sinds tien jaar daalt het aantal soa-consulten bij de huisarts en bij de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid. Het online aanbod van zelftesten neemt toe, maar blijkt niet altijd betrouwbaar.

  • De meeste soa-consulten vinden plaats bij de huisarts. In 2014 vonden daar naar schatting 270.000 soa-consulten plaats; een lichte daling ten opzichte van 2013. Ook het aantal soa diagnoses bij de huisarts daalde in 2014 licht. Voor sommigen blijkt het eigen risico, in combinatie met de kosten voor diagnostiek, een reden om af te zien van een soa-test bij de huisarts
  • In aanvulling op de huisarts kunnen hoog-risico groepen ook terecht bij de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid (soa polikliniek). In 2015 zijn daar ruim 136.000 soa-consulten uitgevoerd; een daling met 3 procent ten opzicht van 2014. Deze afname hangt samen met een instelling in 2015 van financieel plafond aan de regeling die soa-testen bij de GGD mogelijk maakt, gevolgd door een strengere selectie en meer verwijzingen naar de huisarts 
  • Het online aanbod van zelftesten voor soa’s neemt toe [1]. Websites bieden thuistesten aan (zelf afname en zelf aflezen) en laboratoriumtesten (zelfafname toegestuurd aan lab voor diagnose). Het RIVM schat in 2016 dat tussen de 40.000 en 60.000 zelftesten voor soa’s worden gebruikt. Een evaluatie van 20 aanbieders laat zien dat maar een beperkt deel van het aanbod betrouwbaar is. 

Laagdrempelig en kwalitatief goed aanbod van soa-testen en screening is belangrijk, omdat het opsporen van soa in een vroeg stadium verdere transmissie kan voorkomen en de kans op symptomen en ernstige complicaties vermindert door tijdige behandeling.

Aantal gevonden soa’s gestegen

Op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid nam het aantal personen met een positieve soa-test toe van 15,5% in 2014 naar 17,2% in 2015. De meeste soa’s worden gevonden bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) met hiv, personen die gewaarschuwd werden voor een soa, laagopgeleiden en personen met klachten.

  • Chlamydia is ook in 2015 de meest gediagnosticeerde soa. In 2014 zijn bij de huisarts naar schatting 35.000  chlamydia infecties gevonden. In 2015 zijn op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid 18.585 chlamydia infecties gevonden. Het aantal positieve testen steeg daar van 12,6% in 2014, naar 13,7% in 2015.  De meeste chlamydia infecties worden gevonden bij: jongeren (15-19 jaar), mensen afkomstig uit Suriname of de Antillen, mensen die eerder een soa hebben gehad, mensen met een lage opleiding en bij bekend hiv-positieve MSM.
  • LGV: In 2004 vond onder MSM in Nederland voor het eerst een uitbraak plaats van LGV; een agressieve variant van chlamydia. Na een daling in 2013 nam in 2015 op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid het aantal gevonden gevallen van LGV weer toe tot 179. In de meeste gevallen betrof dit MSM, merendeels bekend hiv-positieve MSM.
  • Gonorroe: In 2014 zijn bij de huisarts naar schatting 6.700 gonorroe infecties gevonden. In 2015 zijn op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid 5.391 gonorroe infecties gevonden. Dit aantal positieve testuitslagen is hoger dan in 2014.  De meeste infecties werden op de GGD gevonden bij hiv-positieve- vrouwen en -MSM en mensen die eerder voor gonorroe zijn gewaarschuwd.
  • Syfilis:  In 2015 zijn op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid  942 gevallen van syfilis gevonden. In bijna alle gevallen bij MSM en in een derde van de gevallen bij hiv-positieve MSM. Met name onder bekend hiv-positieve MSM steeg het aantal positieve testuitslagen van 6,6% in 2014, naar 8% in 2015.
  • Hepatitis: Het aantal meldingen van  acute hepatitis B daalde in 2015 met 21% vergeleken met 2014. Op de GGD Centra voor Seksuele Gezondheid werden 99 hepatitis B infecties gevonden; een daling ten opzichte van 2014. Dit is wellicht het gevolg van de succesvolle hepatitis B vaccinatiecampagne gericht op risicogroepen als MSM en prostituees. Eind 2015 hebben meer dan 20.360 sekswerkers en 50.260 MSM  deelgenomen aan dit vaccinatieprogramma. Het aantal meldingen van acute hepatitis C is in 2015toegenomen met 34% vergeleken met 2014. Op de Centra voor Seksuele Gezondheid zijn 10 hepatitis C infecties gevonden, de meesten bij MSM. Niet alle GGD-en testen standaard op hepatitis C.

Teveel mensen met hiv niet bekend met infectie en te laat in zorg

In 2015 zijn rond de 900 nieuwe hiv-diagnoses gesteld; dit is een lichte daling in vergelijking met afgelopen jaren. In 2015 zijn op de GGD-soa poliklinieken 288 nieuwe hiv-diagnoses gesteld: 90% daarvan bij MSM.

  • Aan het eind van 2015 leven er naar schatting 22.900 mensen met hiv in Nederland. Daarvan zijn 20.083 bekend met hun hiv-infectie en gelinkt aan zorg. Dat betekent dat zo’n 2.800 mensen met hiv niet op de hoogte zijn van de eigen status. Dit is belangrijk omdat onderzoek heeft aangetoond dat de meeste hiv-transmissies plaatsvinden in de fase waarin de infectie nog niet bekend is.
  • Het percentage mensen met hiv dat te laat in zorg komt is 45%, waarvan 29% met een vergevorderde hiv-infectie of ziekten die horen bij aids. Dit is zorgelijk omdat we inmiddels uit onderzoek weten dat te laat beginnen met hiv-behandeling de levensverwachting van mensen met hiv verlaagt en kan leiden tot een hogere ziektelast en slechtere kwaliteit van leven.

In 2015 is er bij 16.456  mensen met hiv sprake van een succesvolle hiv-behandeling, die zorgt voor een ondetecteerbare viral load. Dit is niet alleen belangrijk uit oogpunt van de individuele gezondheid. Onderzoek heeft aangetoond dat bij een ondetecteerbare viral load verdere transmissie van hiv niet meer voorkomt.

Referenties en bronnen

Ook gevonden

Afdrukken:

Via printer