Kinderen en jongeren die in armoede leven hebben meer lichamelijke en psychische klachten dan hun meer welvarende leeftijdgenoten. Ook hebben zij vaker overgewicht, voelen ze zich minder gelukkig, hebben ze vaker hechtingsproblemen met hun ouders en zijn ze negatiever over hun leven en toekomst. Volwassenen die leven met geldzorgen, schulden of armoede hebben vaker chronische stress, een ongezonde leefstijl of chronische ziekten zoals diabetes en hart- en vaatziekten.  Ook psychsociale problemen of opvoedproblemen komen vaker voor. Deze volwassenen zijn vaak minder gelukkig en minder goed in staat om beslissingen te nemen op lange termijn.
 

Wat is armoede?

Er zijn veel verschillende definities en benaderingen van armoede. Vragen over welke mensen arm zijn en welke levensomstandigheden nu daadwerkelijk als arm moeten worden aangemerkt, zijn niet makkelijk te beantwoorden. Wel is er overeenstemming dat armoede in West-Europese landen niet meer een kwestie van fysiek overleven is, maar eerder een kwestie van niet volgens gangbare maatschappelijke opvattingen kunnen leven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen absolute en relatieve armoede.

Mensen met absolute armoede leven onder de lage-inkomensgrens en beschikken bijvoorbeeld niet over voldoende voedsel, huisvesting, toegang tot gezondheidszorg en onderwijs.

Mensen die leven in relatieve armoede hebben onvoldoende middelen om te kunnen voorzien in maatschappelijke erkende behoeften en te participeren in de samenleving.

Omvang van armoede in Nederland

In Nederland berekenen het Sociaal Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek de armoedecijfers in Nederland. Zij hanteren echter verschillende definities waardoor op verschillende wijze wordt berekend hoeveel mensen in Nederland in armoede leven. Op basis van beide berekeningen hebben 6 tot 8.2% van de mensen in Nederland te maken met armoede. 

Het SCP Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) URL: https://www.scp.nl berekent de omvang van armoede door middel van het niet-veel-maar-toereikendbudget. Hierin is het basisbehoeftenbudget – denk aan uitgaven voor voeding, kleding en wonen – aangevuld met een minimum voor ontspanning en sociale participatie. In 2017 kwam het basisbehoeftenbudget voor een alleenwonende uit op 1039 euro per maand en het niet-veel-maar-toereikendbudget op 1135 euro per maand. Volgens het SCP bedroeg het aantal armen in 2017 volgens het niet-veel-maar-toereikendcriterium iets meer dan 939.000 (5,7%) en volgens het basisbehoeftencriterium 618.000 (3,8%). Het SCP spreekt van langdurige armoede als mensen in ten minste drie aaneengesloten jaren binnen een periode van vijf jaar arm zijn.

Het CBS Centraal Bureau voor de Statistiek richt zich op het afbakenen van de (ruimere) groep met (een bepaalde, hoge) kans op (inkomens)armoede. Hiervoor hanteert CBS de lage inkomensgrens. De lage-inkomensgrens weerspiegelt een vast koopkrachtbedrag in de tijd. In 2019 bedroeg deze grens op maandbasis 1 090 euro voor een alleenstaande, 1 660 euro voor een alleenstaande ouder met twee minderjarige kinderen en 2 080 euro voor een paar met twee minderjarige kinderen. Volgens het CBS maakte in 2019 6,2% van de Nederlandse bevolking deel uit van huishoudens met een inkomen onder de lage inkomensgrens. Het CBS spreekt van langdurige armoede als er sprake is van een armoedesituatie die ten minste vier jaar achtereen voortduurt.

Relatie armoede, schulden en gezondheid

Vier factoren spelen een rol in de relatie armoede, schulden en gezondheid: 

Meer financiële middelen betekent vaak meer materiële mogelijkheden (bijvoorbeeld gezonde voeding of gezondheidsbevorderende of –beschermende producten) en betere leefomstandigheden. 

langdurige financiële zorgen en gebrek aan perspectief leiden tot chronische stress wat de gezondheid negatief kan beïnvloeden. Chronische ziektes hebben invloed op de lichamelijke conditie waardoor kwetsbaarheid voor andere ziektes kan ontstaan. Daarnaast heeft chronische stress invloed op de mentale conditie. Mensen die te maken hebben met chronische stress hebben meer moeite met het onderscheiden van hoofd- en bijzaken, zijn gevoelig voor korte termijn belangen en directe beloning, staan minder open voor advies en hulp en zijn minder goed in staat om positieve intenties om te zetten in actie. Hierdoor is het moeilijker om bijvoorbeeld een ongezonde leefstijl aan te passen.

Mensen die in armoede leven, hebben vaak een minder gezonde levensstijl en zijn daardoor ongezonder. Mensen met een laag inkomen roken meer, hebben vaker overgewicht, voldoen minder vaak aan de beweegrichtlijn en zijn zwaardere drinkers ten opzichte van mensen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. Daarnaast lopen jongeren met een lage opleidingsachtergrond, schooluitval en een beperkt toekomstperspectief een hoger risico op een onbedoelde zwangerschap of jong ouderschap. 

Een slechte gezondheid kan van invloed zijn op het doorlopen van onderwijs en daarmee de kansen op werk beïnvloeden. Dat is weer van invloed op de gezondheid. Mensen die te maken hebben met chronische ziekten of arbeidsongeschiktheid, hebben over het algemeen een lager inkomen en hogere zorgkosten. Dit vergroot het risico op financiële problemen. 

Door de verbanden over en weer ligt het risico van een negatieve spiraal op de loer. Een negatieve spiraal die moeilijk doorbroken kan worden, juist doordat er op meerdere levensdomeinen problemen zijn. Denk bijvoorbeeld aan het verliezen van een baan of een scheiding. De financiële zorgen die daarbij kunnen ontstaan kunnen leiden tot allerlei andere problemen zoals psychosociale problemen of ziekte.
 

Onder welke groepen komt armoede het meeste voor?

Armoede kan iedereen overkomen. Life events als langdurige ziekten, verlies van werk of een scheiding kunnen een belangrijke rol spelen bij het verslechteren van de financiële situatie van een persoon of huishouden. In alle levensfasen komt armoede voor. Wel zijn er in elke levensfase groepen mensen aan te wijzen waaronder armoede vaker voorkomt: 

Kinderen en jongeren uit eenoudergezinnen, kinderen met tenminste twee broers of zussen en kinderen uit gezinnen met een niet- westerse achtergrond leven vaker in armoede. Eenoudergezinnen met een vrouw aan het hoofd hebben een groter armoederisico dan eenoudergezinnen met een man aan het hoofd. Dit komt omdat alleenstaande moeders relatief vaak afhankelijk zijn van een uitkering. 

Volwassenen met een bijstandsuitkering leven vaker met een lager inkomen dan werkenden en hebben het meeste risico op armoede. Zelfstandigen hebben een groter armoederisico dan mensen in loondienst. Daarnaast hebben niet-westerse migranten en statushouders vaker een laag inkomen en risico op armoede.

Bij ouderen is er tussen 55 en 65 jaar meer risico op het afhankelijk worden van een uitkering door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Maar onder de oudste ouderen (80 jaar en ouder) komt vaker armoede voor dan onder jongere ouderen. Vermoedelijk speelt bij deze ‘oudste ouderen’ mee dat zij relatief vaak van alleen inkomen uit AOW Algemene ouderdomswet Algemene ouderdomswet  moeten rondkomen. Daarnaast vormen de relatief hoge zorgkosten binnen deze leeftijdsgroep wellicht een verklarende factor.