Het landelijke drugsbeleid richt zich op het voorkomen van het gebruik van drugs en het beperken van de schade voor de gebruiker en zijn omgeving. Het landelijke beleid biedt kaders voor het gemeentelijke beleid.

Uitgangspunten landelijk drugsbeleid

Het Nederlandse drugsbeleid richt zich op zowel volksgezondheid als  – meer dan voorheen – op de aanpak van drugscriminaliteit. Doelstelling van het kabinet is zowel de vraag naar als het aanbod van drugs te verminderen. Subdoelstellingen daarbij zijn:

  • bezit, verkoop en productie van drugs blijven verboden
  • geen gebruik van cannabis of andere drugs onder jongeren van 12 tot en met 18 jaar in 2040
  • halvering van cannabisgebruik (naar 4%) door 18-plussers en afname van gebruik van andere drugs naar 3%
  • halvering van het aantal drugsgerelateerde gezondheidsincidenten

Om de doelstelleingen te realiseren zet de overheid in op:

  • aanbod van drugs voorkomen en beperken
  • inzetten van preventie
  • drugsgebruik voorkomenschadelijke gevolgen van drugsgebruik voorkomen en terugdringen
  • bieden van hulp aan mensen die drugs gebruiken door:
    • inzetten op vroegsignalering en kortdurende interventies
    • adequate behandeling bij drugsverslaving
    • gezondheidsschade beperken (‘harm reduction’)

Opiumwet

De Opiumwet stelt de import, export, productie, teelt, de handel en het in bezit hebben van drugs strafbaar. Het gebruiken van drugs is in Nederland dus niet strafbaar. De overheid wil hiermee ervoor zorgen dat mensen die door drugsgebruik in de problemen komen zich vrij voelen om hulp te zoeken.

De Opiumwet kent een onderscheid tussen middelen die op lijst I staan en middelen die op lijst II staan. Op lijst I staan bijvoorbeeld ecstasy, cocaïne en amfetamine. Op lijst 2 staan middelen als cannabis en lachgas; drugs die minder schadelijk worden geacht voor de volksgezondheid.

Sinds 1 juli 2025 kent de Opiumwet ook lijst 1a. Op deze lijst staan stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van Opiumwetmiddelen op lijsten 1 en 2. Het doel achter lijst 1a is het tegengaan van de productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen.

Gedoogbeleid: verkoop van softdrugs in coffeeshops

De verkoop van cannabis in coffeeshops wordt in Nederland onder strikte voorwaarden gedoogd. De coffeeshophouder is verantwoordelijk voor de controle op leeftijd en nationaliteit. Een gemeente bepaalt zelf of coffeeshops worden toegelaten, en hoeveel. Ook kunnen er, naast de AHOJ-GI criteria die in de Aanwijzing Opiumwet (artikel Pre-opsporing, lid 1) zijn vastgelegd, aanvullende eisen worden gesteld door gemeenten, in overleg met de lokale driehoek van burgemeester, politiechef en officier van justitie.

Een knelpunt bij het coffeeshopbeleid is dat de verkoop gedoogd wordt, maar dat de productie van cannabis en het bevoorraden van de coffeeshops verboden zijn. Daarom startte Nederland eind 2023 met het experiment gesloten coffeeshopketen, ook bekend als het wietexperiment of de wietproef. Tijdens het experiment leveren geselecteerde telers cannabisproducten aan de coffeeshops. De cannabis is gecontroleerd op kwaliteit. Het doel van het experiment is om te kijken of deze gesloten cannabisketen werkt. Daarnaast wil het kabinet bekijken wat de effecten van het experiment zijn op bijvoorbeeld de criminaliteit en de volksgezondheid.

Overige wetgeving en afspraken

Wegenverkeerswet

De Wegenverkeerswet verbiedt rijden onder invloed van stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden. Dat geldt voor middelen uit de Opiumwet maar ook voor alcohol en veel geneesmiddelen.

Verbod op lachgas

Lachgas wordt gebruikt in onder meer de voedsel- en auto-industrie. Het wordt ook steeds vaker gebruikt als drug. Dat is gevaarlijk, vooral bij veelvuldig gebruik. De productie en verkoop van lachgas voor recreatieve doeleinden is dan ook sinds 1 januari 2023 verboden.

Meer informatie